Luister naar de diensten
U bent hier: Home - Onze kerk - Nieuws

Nieuw begin

In 1947 verscheen het klassiek geworden boek ‘De Pest’ van Albert Camus. Het verhaal speelt zich af in het kuststadje Oran, waar de besmettelijke, dodelijke ziekte uitbreekt. De stad gaat volledig op slot, de mensen kunnen weinig anders doen dan wachten tot de verschrikking voorbij is. Het is een fantasie over wat er gebeurt als mensen afgesloten raken en op elkaar en zichzelf teruggeworpen worden. Een fantasie met een metaforische betekenis, want het zou zomaar ook kunnen gaan over de ‘ziekte’ die fascisme heet, in die zin is het boek misschien wel een terugblik op de oorlog. 
En zo zijn er zeker nog wel meer betekenissen die je erin kunt vinden, maar het is toch wel heel bijzonder om het juist in deze tijd te lezen. Ineens wordt de metafoor realiteit, zo lijkt het, de parallellen liggen voor het oprapen: het begint met de ontkenning, dan komt de laconieke reactie, ‘Het zal zo’n vaart niet lopen…’, uiteindelijk houdt de ziekte toch de hele samenleving in z’n greep. En wat te denken van het moment waarop twee hoofdpersonen in het ziekenhuis een mondkapje opdoen. Op de vraag of dat eigenlijk helpt, is het antwoord: ‘Nee, maar het boezemt de anderen vertrouwen in.’

Mensen reageren verschillend op de situatie, ook dat is heel herkenbaar. De een wil helpen, er wordt een soort burgernetwerk georganiseerd à la #NietAlleen, terwijl een ander nog uit de afgesloten stad probeert te ontsnappen. De centrale personage is de huisarts Bernard Rieux, die gewoon maar doet wat hij moet doen. En wat is dat? Nu ja, zegt hij, we hoeven geen helden te zijn, we moeten… mens zijn. Fatsoenlijk zijn. Dat is het, en daar hebben we onze handen vol aan. In zijn geval is dat dat hij gewoon maar zijn werk doet, zijn huisbezoeken aflegt. Terwijl het in zekere zin hopeloos is, want als iemand eenmaal besmet is, kan hij niets meer doen dan – akelig detail – de builen opensnijden tegen de pijn.

Een heel interessant moment richting het einde van het boek is een kort gesprek tussen twee mannen over de vraag hoe het leven weer verder zal gaan als de ziekte voorbij is. ‘In zekere zin begint er straks een heel nieuw leven,’ zegt de een. Waarop de ander uitroept: ‘Met een schone lei beginnen, geweldig zou dat zijn!’ Die verzuchting herken ik. Stel je voor dat wij nu ook echt een nieuw begin konden maken, als mensen persoonlijk en als samenleving. Stel je voor dat wij, als wij langzaam weer uit de crisis geraken, het met meer compassie en met meer zorg voor de aarde konden proberen… 

Het hangt ervan af wie de mens is, waartoe wij in staat zijn en in hoeverre wij het willen. Op deze vragen formuleert het boek van Camus voorzichtig-vertellend iets van een antwoord. Weliswaar wordt gaandeweg duidelijk dat je je over de mens geen illusies hoeft te maken: mensen leven maar raak, en het verschil in hoe het er in de rijke delen en in de arme delen van de stad aan toe gaat, wordt pijnlijk actueel beschreven. Toch eindigt het boek verrassend hoopvol. Dan blijkt Bernard Rieux niet alleen de hoofdpersoon, maar ook de verteller van het verhaal te zijn. Waarom wilde hij het opschrijven? Hij wilde voor de slachtoffers spreken, zodat hun verhaal tenminste gekend zou zijn. En: ‘…zodat hij heel eenvoudig kon doorgeven wat je van plagen kunt leren, namelijk dat er in de mens meer te bewonderen dan te verachten valt.’ Een prachtzin. Dat geeft geen garantie voor een idyllische toekomst vol menselijkheid, maar het is werkelijk een begin. En werkelijk een reden om hoop te hebben. 

Marco Visser